Sterft dialect uit?

Vaak beweerd maar nooit bewezen: dialect sterft uit. Binnenkort is het gedaan met dialect spreken, waarschijnlijk al over een jaar veertig, en dan kunnen we alleen nog over dialect lezen in een boek of het beluisteren via een of ander medium. Neem bijvoorbeeld NTR Academie, waar u leest: “Schrijver en taalkundige Wim Daniëls sprak tot zijn 15e uitsluitend het dialect van zijn geboortedorp Aarle-Rixtel. Maar dialecten sterven uit. Over 40 jaar wordt er hoogstwaarschijnlijk nergens in Nederland nog dialect gesproken. Is dat erg?”. Wim Daniëls is natuurlijk niet de enige die dit stelt; sterker nog, men doet dat al veel langer: al in 1914 begonnen Jos Schrijnen en Jac. van Ginneken een dialectonderzoek wegens “den wissen ondergang der dialecten”.

Klopt deze bewering wel? Yoïn van Spijk, pas afgestudeerd in Utrecht bij de masteropleiding Taal, Mens en Maatschappij, deed onderzoek naar dialectverlies (de scriptie is te vinden op dspace.library.uu.nl/handle/1874/317002). De laatste decennia hebben taalwetenschappers al vaker gevonden dat de dialecten veranderen en daarbij hun meest opmerkelijke kenmerken (dat kunnen woorden, klanken en grammaticale aspecten zijn) verliezen. Op de eerste plaats kunnen kenmerken vaak ingewisseld worden voor kenmerken uit het Algemeen Nederlands of ten tweede worden kenmerken aangepast aan die van de buurdialecten, zodat dialecten meer op het Nederlands gaan lijken en/of meer op hun buurdialecten, zodat er streekdialecten oftewel regiolecten ontstaan. Van Spijk vroeg zich nu af hoe het dialect van mensen van verschillende leeftijden er nou precies uitzag. Bij welke leeftijdsgroep zien we welke invloed van het Nederlands? En mogen we dan verwachten dat hoe jonger de dialectgebruiker is, hoe meer Nederlandse elementen in zijn of haar dialect te vinden zijn?

Van Spijk voerde het onderzoek uit in Drunen, Waalwijk en Kaatsheuvel, volgens de routeplanner zo’n 50 kilometer van Daniëls’ Aarle-Rixtel vandaan. Hij vond een enorme verscheidenheid aan dialectvormen. Je zou denken dat óf de dialectvorm hamme, ‘hadden we’ gebruikt wordt, zoals in “Daor hamme nie op gelet”, óf het Nederlandse hadden we. Maar wat hij vond waren ook han we, ha we en haije we (mogelijk onder invloed van ik hai). Een tweede voorbeeld is dat hij naast het oorspronkelijke hij hig ’t, ‘hij heeft het’, vormen als hij heei ’t, heeig ’t, heg ’t en het ’t optekende, bij alle leeftijdsgroepen. Er zijn dus dialectvormen die niet ergens tussen het Nederlands en het dialect liggen – ze vallen buiten het spectrum; volgens de regels van het ‘authentieke’ dialect zouden we ze ongrammaticaal, fout, vinden.

Geen twee door van Spijk onderzochte dialectgebruikers spreken hetzelfde dialect, ook niet in de oudste leeftijdsgroep. Ze gebruiken allemaal een nét iets andere grammatica, en dan laten we de uitspraak van de klanken nog buiten beschouwing. Ieder lijkt wel zijn eigen, unieke dialectvariant te spreken.

Dat roept een aantal vragen op in het licht van de bewering dat het dialect weldra uitsterft. Over welk dialect hebben we het eigenlijk? Als Wim Daniëls het dialect zoals hij dat zelf als moedertaal geleerd heeft, als referentiepunt neemt, heeft hij waarschijnlijk wel gelijk. Dát dialect wordt over veertig jaar misschien niet meer gesproken. Maar moet dialect ook moedertaal zijn? En wanneer is een dialect authentiek? Leidt de verandering van de dialecten er dan toe dat we over veertig jaar overal in Nederland of Vlaanderen hetzelfde algemene Nederlands spreken? De verscheidenheid in het taalgebruik lijkt juist toe te nemen.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *